Dreadnought vs. jumbo: welke grote westerngitaar past bij jou?
Gepubliceerd op donderdag 1 oktober 2026
Dreadnought of jumbo: wie een grote westerngitaar zoekt, komt vroeg of laat bij deze twee uit. Allebei groot en luid, met een stevige portie bas. Toch is de keuze minder lastig dan hij lijkt: de dreadnought is de veelzijdige standaard, de jumbo is nog een maatje groter en vraagt meer van je lijf. Welke het wordt, bepalen je armen en je oren samen.
Een Hawaïaanse bestelling als begin
De dreadnought is een uitvinding van Martin, maar in eerste instantie stond die naam er niet op. De eerste exemplaren werden op bestelling gebouwd voor muziekhandel Oliver Ditson, waar winkelmanager Harry L. Hunt wel oren had naar een extra grote gitaar. Het voorbeeld was een gitaar die begin 1916 werd gebouwd voor de Hawaïaanse virtuoos Mekia Kealakai: een soort opgeblazen 000 met een smalle taille.
Die Hawaïaanse afkomst zie je terug in de uitrusting. De Ditson Style 111 werd geleverd met een gewone topkam plus een nut extender, een opzetstuk dat de snaren hoger legt zodat je er met een slide overheen kunt glijden. Ook de vorm week af van wat je nu kent: de schouders liepen schuiner en ronder af.
Een hit was het niet. Van de 571 Ditson-gitaren uit 1916 tot 1921 hadden er maar 14 dreadnoughtformaat. Hunt vroeg Martin in 1923 om er meer te bouwen, maar tot 1930 bleef het bij 18 exemplaren van de Style 111. Martin zelf was trouwens lang overtuigd dat alles groter dan een 000 te veel bas zou geven (ironisch genoeg is dat lage register nu precies waar de dreadnought om bekendstaat).
» Bekijk alle dreadnought-gitaren
» Bekijk alle jumbo-gitaren
Van zorgenkindje tot standaardmodel
Pas in 1931 zette Martin de dreadnought onder eigen naam in de boeken. In de logboeken uit dat voorjaar duikt eerst een D-21 op, daarna de D-1 en D-2, die later werden omgedoopt tot D-18 en D-28. De vraag kwam van radio-artiesten die grotere, luidere instrumenten wilden. Toch ging het ook toen niet hard. Een beetje zoals een zuurdesemstarter: dagenlang lijkt er niks te gebeuren en dan ineens borrelt het.
In 1934 volgde de belangrijkste verandering. De eerste dreadnoughts hadden 12 frets vrij van de body, daarna werden dat er 14. Die twee extra frets geven je meer ruimte om hoger op de hals te spelen. Martin kon de hals daarvoor niet simpelweg verder naar buiten schuiven, want dan zou de brug niet meer op de akoestisch juiste plek zitten.
De oplossing zat in de klankkast. Martin drukte de bovenste helft als het ware plat: de rondingen bij de hals werden ingekort en rechter gemaakt, zodat de hals bij de 14e fret op de body aansloot. Zo ontstonden de rechte schouders (square shoulder), die de plaats innamen van de eerdere ronde schouders (sloped shoulder). Met die vorm kreeg de dreadnought het silhouet waar hij beroemd om werd.
Inmiddels is de dreadnought de meest voorkomende bodyvorm. Loop een willekeurige gitaarwinkel binnen en ik durf te wedden dat het gros van de westerngitaren aan de muur dit model heeft. Hij heeft een nadrukkelijk laag register en voelt zich thuis in heel wat genres. Ook Gibson bouwt dreadnoughts, met de J-45 (ronde schouders) en de Hummingbird als bekendste voorbeelden.
» Bekijk alle dreadnought-gitaren
De jumbo: nog een maatje groter
Vind je de dreadnought nog te bescheiden, dan kom je uit bij de jumbo. De jumbo waar alle andere aan worden afgemeten is de Gibson SJ-200, ook wel J-200 of ‘king of the flat-tops’ genoemd. Met een onderbout van 17 inch, zo’n 43 centimeter, is het echt een maatje groter dan de dreadnought. De meest gehoorde lezing is dat hij in 1937 begon als speciale bestelling voor Ray Whitley, al is de precieze oorsprong nog altijd onderwerp van discussie.
Die extra centimeters hoor je. Een jumbo staat bekend om een groot, luid geluid met veel bas en projectie, in de lijn van de dreadnought maar dan nog een stapje verder. Hoor je iemand beweren dat een jumbo altijd warmer of juist helderder klinkt? Neem dat met een korrel zout, want houtsoort en bouw bepalen minstens zoveel. En denk aan vervoer: een jumbo is als een extra grote koffer. Er past veel in, maar je sjouwt hem ook mee.
» Bekijk alle westerngitaarkoffers en -tassen
» Bekijk alle jumbo-gitaren
Welke grote gitaar past bij jou?
Doe in de winkel deze simpele test. Pak eerst een dreadnought, daarna een jumbo, en speel op allebei een paar minuten hetzelfde nummer. Let vooral op hoe ver je aanslagarm om de onderbout moet reiken. Voelt dat na een paar nummers nog steeds natuurlijk, dan is het formaat voor jou geen probleem. Merk je dat je gaat compenseren met je schouder, dan weet je eigenlijk al genoeg.
Dat klinkt misschien flauw, maar een gitaar die niet lekker ligt, pak je minder vaak op. En aan klank kun je nog wat sleutelen met andere snaren of een andere aanslag; de maat van de body verandert nooit meer.
Zoek je één gitaar die overal mee wegkomt, dan is de dreadnought de logische keuze. Hij klinkt vol, heeft bas genoeg en speelt in veel stijlen zonder morren mee. Niet voor niets hangt hij overal aan de muur.
Wil je juist maximaal volume en een diepe bodem, en schrikt dat extra formaat je niet af? Dan is de jumbo je gitaar. Mijn persoonlijke advies: laat je oren het laatste woord hebben, maar pas nadat je armen hun stem hebben uitgebracht.
» Bekijk alle westerngitaren
» Gitaar vasthouden – Houding voor staand en zittend spelen










Nog geen reactie...