Het Hammond-orgel: een klassieker

In de pop en rock is het Hammond-orgel weer helemaal terug van weggeweest, zowel de digitale Hammonds als de ‘echte’. In de blues en jazz heeft het al decennia lang zijn vaste plek. Wat maakt dit instrument nu zo bijzonder? Waarom sjouwen we nog steeds een instrument van meer dan 100 kilo het podium op? Een muzikale ontmoeting met het Hammondorgel.

Alle muziekstijlen

Het Hammondorgel voelt zich thuis in alle muziekstijlen. Je kunt er hele brave en gezellige liedjes op spelen. Je kunt er ongelooflijk mee scheuren in een ruig blues- of rocknummer. Je kunt er een fantastisch tapijtje mee leggen onder vrijwel iedere popsong. Je kunt er spetterende jazz op spelen en ga zo maar door. Die veelzijdigheid van het Hammondorgel is tegelijk ook een beetje een manco voor het imago van dit instrument. Nog steeds associëren veel mensen het Hammondorgel met de ‘kitscherige’ elektronische orgelmuziek waarmee in de jaren zeventig talrijke elpees werden volgespeeld. Dat heeft het imago van het Hammondorgel geen goed gedaan en op de een of andere manier ijlt dit nog steeds een beetje na. Gelukkig gaat dit weer de goede kant op. In de jazzmuziek is het Hammondorgel al vele jaren een begrip. Dat geldt eigenlijk ook voor de blues. In de pop en rock is het Hammondorgel een tijdlang verdrongen geweest door synthesizers, met name in jaren tachtig en negentig. Sinds ongeveer begin deze eeuw maakt het Hammondgeluid een overduidelijke come-back in de pop en rock. Dat kan een authentiek Hammondgeluid zijn of digitaal nagebootst. Maar opvallend vaak zie je dat artiesten er bewust voor kiezen om zich te laten ondersteunen door een authentiek Hammond toonwielorgel, zoals dat heet. Dat is dan meestal de Hammond B3. Met daaraan gekoppeld een Lesliebox, vaak een Leslie 122 of 147. Ken je het typische Hammondgeluid eenmaal, dan haal je het overal uit. Maar wat maakt een Hammond toonwielorgel, in technisch en muzikaal opzicht, nu zo bijzonder?

Toonwielgenerator

Het bijzondere van een Hammond toonwielorgel zit voor een belangrijk deel in de klankopwekking. Uitvinder van het Hammondorgel is Laurens Hammond (1895-1973). Deze Amerikaan heeft een groot aantal uitvindingen op zijn naam staan (110 patenten!), waaronder de bekende kartonnen brilletjes met een groen en rood glas om 3D-films te bekijken. Laurens Hammond is ook de uitvinder van de synchroonmotor. Dit is een elektromotor die draait met een snelheid die afhankelijk is van de netfrequentie (in Nederland 50 Hz, in de VS 60Hz). Aangezien de netfrequentie heel constant wordt gehouden, draait de motor dus ook heel constant. Daarom werd deze motor door Laurens Hammond gebruikt om elektrische klokken aan te drijven. De synchroonmotor inspireerde Laurens Hammond tot het ontwikkelen van een elektrisch orgel, dat de dure en onderhoudsintensieve pijporgels in kerken kon vervangen. Hij bedacht een orgel waarin het geluid wordt opgewekt door een zogeheten toonwielgenerator, die wordt aangedreven door een synchroonmotor. In 1934 werd het eerste patent aangevraagd. De toonwielgenerator (zie foto) is het ‘kloppend hart’ van het Hammond toonwielorgel. Een Hammond toonwielorgel heeft (afhankelijk van het model) 12 tot 96 toonwielen. Deze toonwielen hebben een golfvormige rand, gebaseerd op de sinusgolf. Hoe hoger de op te wekken toon, hoe meer golven op het toonwieltje. Alle toonwielen zitten op een ronddraaiende as. Ieder toonwiel draait langs een pickup-element met een magnetische kern met een spoel er omheen. Als het toonwiel draait, wordt er in de kern van het pickup-element een wisselend magnetisch veld opgewekt, dat in de spoel resulteert in een elektrische wisselspanning.


Hammond A-100 – Foto (bijgesneden): Hammond A-100 inside, door Brandon Daniel, licentie CC BY-SA 2.0

Levendig en muzikaal

Deze wisselspanning is sinusvormig, net als de sinusvormige rand van het toonwiel. De wisselspanning wordt vervolgens (elektronisch) gefilterd en versterkt, om vervolgens via een luidspreker te worden weergegeven. Dit geeft een sinusvormige toon, een soort fluittoon. Deze toon klinkt van zichzelf dof, maar krijgt klankkleur door er boventonen aan toe te voegen. Die krijg je door het geluid van verschillende toonwielen samen te voegen tot één geluid. De organist kan die klankkleur regelen met behulp van zogeheten drawbars (zie alinea over drawbars). Vanaf de toonwielgenerator gaat het geluid nog door een enorm circuit van allerlei elektronica (met name buizen), die allemaal medebepalend zijn voor het karakter van het Hammondgeluid. Bovendien moest Laurens Hammond meerdere technische compromissen sluiten, met als gevolg dat het Hammondgeluid allerlei onvolkomenheden heeft. Maar juist die maken dit instrument zo interessant, levendig en vooral ook muzikaal. Voor de liefhebbers die daar meer van willen weten: zie de alinea ‘Keyclick, leakage en meer onbedoelde zaken’.

De Lesliebox

Laurens Hammond had zijn orgel bedoeld als kerkorgel en huiskamerorgel. Maar het vond ook een heel andere weg, zoals we inmiddels weten. Dat is mede de ‘schuld’ van ene Don Leslie, de uitvinder van de Lesliebox. Voor veel Hammondliefhebbers is een Hammondorgel zonder Leslie-speaker incompleet. In een Lesliebox wordt het geluid roterend gemaakt. Bij veel modellen, zoals de bekende Leslie 122 en 147, gebeurt dat met een roterende hoorn voor het hoog en een roterende trommel voor het laag (die tegengesteld draaien). Door het ‘ronddraaien’ krijgt het Hammondgeluid een natuurlijk vibrato. Dit komt door het zogeheten Doppler-effect. De wetenschapper Doppler heeft ontdekt dat geluid dat naar je toe komt, hoger wordt. Geluid dat van je afgaat, wordt lager. Dat effect hoor je bijvoorbeeld als een ambulance met loeiende sirene voorbijkomt. Daarnaast maakt een Lesliebox het Hammondgeluid heel ruimtelijk: het zit overal om je heen en het is alsof het ‘los van de grond’ komt. Mede door de Leslie-luidspreker kun je met een Hammondorgel een heerlijk tapijt leggen in heel veel soorten muziek. Het is alsof het Hammondgeluid de andere instrumenten ‘omarmt’. Bovendien kun je een Lesliebox zo instellen dat hij bij bepaalde volumes overstuurt. Je krijgt dan buizenvervorming en dat kan een perfect ruig randje geven aan je spel. De Leslie-speaker kent twee snelheden: chorale (langzaam) en tremolo (snel). Beide snelheden geven hun eigen karakter aan het geluid. Van langzaam naar snel schakelen (en weer terug) duurt enkele seconden. Als je zo’n omschakeling op het juiste moment legt, kun je ‘drama’ toevoegen aan de muziek. Mede door de Lesliebox leent het Hammondorgel zich heel goed voor pop, rock, jazz en blues. Hoewel in jazz ook wel eens met stilstaande Lesliebox wordt gespeeld. Overigens vond Laurens Hammond de Lesliebox aanvankelijk helemaal niks. Maar uiteindelijk is het een huwelijk gebleken dat niet te stuiten was.

Het Hammond-orgel: een klassieker
De bekende Leslie-speaker. In de tekening zijn aan de binnenzijde de roterende hoorn voor het hoog en de roterende trommel voor het laag te zien. Afbeelding: Leslie speaker (mechanical diagram), door R.P /  Ecelan, licentie CC BY-SA 2.5

Het Hammond-orgel: een klassieker
De zogeheten halve maan-schakelaar (‘half moon switch’) voor het schakelen van de Lesliebox. Hier op een Hammond M3. Foto (bijgesneden): Half-Moon Switch, door CJ Sorg, licentie CC BY-SA 2.0

Een écht instrument

Genoeg over techniek. Nu naar de muzikale kant van het Hammondorgel, door muzikanten doorgaans Hammond genoemd (dus zonder de toevoeging ‘orgel’). Hoewel het geluid in een Hammond elektrisch wordt opgewekt, is het qua muzikale beleving eigenlijk een akoestisch instrument. “Het is een écht instrument. Net als de elektrische gitaar”, zegt Leon Kuijpers, professioneel allround-toetsenist en specialist op de Hammond. “Het is geen imitatie-instrument, zoals elektronische orgels en keyboards dat wel zijn. Dat zijn instrumenten die het geluid van andere instrumenten proberen na te bootsen. Een Hammond daarentegen is een instrument op zich. Met een authentiek geluid, zoals we dat ook kennen van de akoestische piano, de Fender piano en de Wurlitzer piano. Dat komt doordat bij deze instrumenten het geluid op een natuurlijke manier wordt opgewekt, ook al komt er bij Hammond, Fender en Wurlitzer elektriciteit aan te pas. “Een goede Hammondorganist kan veel gevoel leggen in zijn spel, ondanks het feit dat een Hammond niet aanslaggevoelig is zoals we dat kennen van de piano. Je kunt van een Hammond een ongelooflijk expressief instrument maken door je manier van spelen, het gebruik van het volumepedaal, spelen met de klankkleur met behulp van de drawbars en schakelen met de Lesliebox. “Een Hammond, daar zit je niet achter. Daar zit je in”, aldus Leon. “Spelen op een Hammond kan een enorme kick geven.”

Verschil met piano

‘Als je piano kunt spelen, kun je ook Hammond spelen’, wordt nogal eens beweerd. Het zijn immers dezelfde witte en zwarte toetsen. Deze bewering klopt niet, vindt Leon. “Het gevoel is anders, de techniek is anders. Tussen spelen op piano en spelen op Hammond zitten grote verschillen. Het gevoel dat je in pianospel legt, doe je grotendeels met je aanslag. Nadat je een toon of meerdere tonen op de piano hebt aangeslagen, kun je die toon niet of nauwelijks meer beïnvloeden. Hoogstens met je sustainpedaal.” Kortom, bij pianospelen heb je geen ‘nabewerking’ van je tonen. “En die heb je bij een Hammond juist wel”, aldus Leon. “Je muzikale inkleuring begint pas nadat je de toetsen hebt ingedrukt. Dan ga je spelen met je volumepedaal, kleuren met de drawbars, schakelen met de Leslie enzovoorts. Dat is een wezenlijk verschil met de piano. En dat vraagt een compleet andere manier van spelen.” Een ander groot verschil is dat pianotonen langzaam uitdoven. Een toon op een Hammond kun je oneindig lang aanhouden. Zo kan het mooi zijn om één hoge toon heel lang aan te houden en er intussen andere noten tegenaan te spelen (dit heet orgelpunt). Met een piano kan dat niet. “Op een piano moet je voor iedere toon ‘werken’. Op een Hammond is dat veel minder het geval”, zegt Leon. “Ook is een Hammond qua klank veel dragender dan een piano. Je hoeft op een Hammond minder te doen dan op een piano om je spel ‘body’ te geven. Dat moet trouwens ook, anders speel je het te vol. Je hoort het ook meteen als een pure pianist Hammond speelt. Die speelt het dan al gauw veel te vol. Zo heb ik een opname van Ray Charles, toch niet de minste muzikant, die Hammond speelt. Dat klinkt nergens naar, omdat hij piano speelt op een Hammond.”

Het Hammond-orgel: een klassieker
Het zwelpedaal voor het regelen van het volume, hier op een Hammond B3. Foto (bijgesneden): Hammond C2 25-note pedalboards & expression pedal, door eyeliam, licentie CC BY 2.0

Laten gillen

Is piano moeilijker dan Hammond? Of andersom? “Je kunt niet spreken van moeilijker of makkelijker”, vindt Leon. “Op een piano is het harder werken dan op een Hammond. Maar een Hammond stelt weer hogere eisen aan je muzikale voorstellingsvermogen. Met een Hammond ben je veel meer aan het kleuren met je klank. En je moet veel meer dan bij piano oppassen dat je het niet ‘dicht speelt’. In muzikaal opzicht zijn Hammond en piano compleet verschillende instrumenten. Hammond zit eigenlijk dichter bij instrumenten waar je lange tonen mee kunt maken. Ook kun je met Hammond een klanktapijtje leggen. En je kunt op een Hammond expressief van grote diepte naar enorme hoogte gaan: een Hammond kun je laten ‘gillen’. Met een piano kan dat allemaal niet.” Overigens laten piano en Hammond zich prima combineren in live muziek en opnames. Eigenlijk combineert Hammond goed met ieder instrument.

Het Hammond-orgel: een klassieker
Het starten van een Hammond kent een speciale procedure en gaat met twee schakelaars. Foto (bijgesneden): START-RUN Schalter einer Hammond B-3, door MePaJa, licentie CC BY-SA 4.0

Kerkorgel en podiumbeest

Hammond toonwielorgels worden niet meer gemaakt. In december 1974 verliet de laatste Hammond B3 de fabriek. Hammond maakte toen ook al ‘elektronische orgels’ om de concurrentie aan te gaan met andere orgelmerken, maar dat heeft niet lang geduurd. In 1986 ging Hammond failliet (Laurens Hammond was inmiddels overleden). In 1987 werd de merknaam gekocht door het Japanse handelshuis Suzuki. Sindsdien bestaat het merk onder de naam Hammond-Suzuki. Dit merk maakt orgels gebaseerd op digitale technieken. In de huidige tijd is het te kostbaar om een toonwielorgel te fabriceren à la Hammond. Maar gelukkig zijn de oude toonwielorgels bijna onverwoestbaar en ook altijd te repareren. Nadeel blijft het gesjouw, hoewel dat met spinetorgels nog wel te overzien is. De tilbare ‘klonen’ worden steeds beter, maar of ze ooit de kick zullen geven die je van echte toonwiel krijgt? Dat is ook een persoonlijke kwestie. Hoe dan ook, het is een bijzonder instrument. Een écht instrument. En Laurens Hammond heeft nooit kunnen bevroeden dat zijn elektrische kerkorgel uit 1934 een podiumbeest heeft opgeleverd dat 75 jaar later nog steeds een begrip is.


Aan de typische L-vormige zijkanten van het meubel herken je een Hammond B3. Foto (bijgesneden): Hammond B3 Organ at Recording Studios, door JacoTen, licentie CC BY-SA 3.0

Goed om te weten

Keyclick, leakage en meer onbedoelde zaken

Verschillende technische bijzonderheden en onvolkomenheden bepalen het typische geluid van het Hammondorgel. Daar zijn boeken over vol geschreven. We noemen hier de belangrijkste:

  • Het geluid in een Hammond wordt elektromechanisch opgewekt door een toonwielgenerator (zie artikel). Dat is al heel bepalend voor het geluid. De opgewekte sinustoon is aan het eind van het elektronisch circuit niet meer precies een sinus, maar dat maakt de toon juist interessanter.
  • Ieder toonwiel (een Hammond B3 heeft er 91) zit in zijn eigen fase en loopt in fase niet synchroon met de andere toonwielen. Dat geeft een veel levendiger geluid dan van bijvoorbeeld een keyboard, waarvan de tonen allemaal in dezelfde fase zitten.
  • Orgels als de Hammond B3 en veel modellen Leslieboxen zitten vol met buizen. Die zijn medebepalend voor het geluid. Zeker als de buizen in een Lesliebox overstuurd worden en het geluid een ruig randje krijgt.
  • In de meeste Hammond toonwielorgels wordt het vibrato opgewekt door een elektromechanische vibratoscanner. Dat geeft een diep, natuurlijk vibrato. Het mooiste is om de vibratoknop in chorus-stand te zetten. Dan wordt de vibratotoon gemengd met de ‘rechte toon’ van het orgel.
  • Op een toonwiel kunnen alleen hele golfjes. En op de tandwieltjes die de toonwielen aandrijven ook alleen maar hele tanden. Halve of nog kleinere golven en tanden kunnen natuurlijk niet. Door deze beperking lukte het Laurens Hammond niet om voor iedere toon precies de juiste toonhoogte op te wekken, zoals de toonhoogtes die we kennen van de gelijkzwevend gestemde piano. De A op een Hammondorgel klopt wel precies (440 Hz), maar de meeste andere tonen hebben een minuscule afwijking. Dat geeft een typische ‘pitch’ zoals dat heet en daardoor klinkt een Hammondorgel weer wat spannender.
  • Typerend voor met name de Hammond B3 en aanverwante toonwielorgels is de zogeheten keyclick. Als een toets wordt ingedrukt, hoor je een korte ‘sputter’ voorafgaand aan de gespeelde toon. Dat komt door het maken van het elektrisch contact. Laurens Hammond baalde van deze technische tekortkoming, maar sommige jazzorganisten zijn er gek op.
  • Door slijtage binnen het elektronisch circuit van een Hammond kan geluid van niet-aangesproken toonwielen ‘meelekken’ met het geluid van de wel-aangesproken toonwielen. Dit wordt ‘leakage’ genoemd. In technisch opzicht ongewild, maar een Hammond kan er lekker smerig door gaan klinken. Onder meer door leakage klinkt ieder Hammondorgel weer een beetje anders. Zo kan de ene B3 heel anders klinken dan een andere B3.

Het Hammond-orgel: een klassieker
De vibrato-chorus-draaiknop Foto (bijgesneden): Hammond C3 presets, SJSF 2012, door ClusternoteHenry Zbyszynski, licentie CC BY 2.0

Kleuren met de drawbars

Het geluid afkomstig van één toonwiel is een toon zonder boventonen. Je kunt die toon kleuren door er boventonen aan toe te voegen, de zogeheten harmonischen. Dat zijn natuurlijke boventonen, zoals je die ook op akoestische instrumenten hoort. Met behulp van zogeheten drawbars (’trekstaven’) kan een organist het geluid kleuren. Dat heet registreren. De meeste Hammondorgels hebben per klavier negen drawbars. De drawbar met het laagste geluid is de 16-voet (op de drawbar staat 16′). De eenheid ‘voet’ staat in verband met de lengte van de betreffende pijp van een pijporgel. Hoe langer de pijp, hoe lager het geluid. Ieder van de negen drawbars correspondeert met een bepaalde pijplengte (voetmaat). De organist kan door het uittrekken van de drawbars aan de laagst gekozen voetmaat harmonischen toevoegen, die steeds een octaaf, een kwint of een terts hoger klinken. Hoe verder de drawbar wordt uitgetrokken, hoe sterker de klank van die voetmaat. De grondtoon komt van 8′ drawbar. De 4′ klinkt een octaaf hoger, de 2′ twee octaven hoger en de 1′ drie octaven hoger dan de 8′. De 16′ klinkt een octaaf lager dan de 8′. Daartussen zitten zogeheten gebroken harmonischen. De 51/3′ is een reine kwint hoger dan de 8′. De 22/3′ is een reine kwint hoger dan de 4′. En de 11/3′ een reine kwint hoger dan de 2′. Dan is er nog de 13/5′ drawbar. Die is een grote terts hoger dan de 2′. Een organist kan iedere drawbar traploos in- en uitschuiven, waardoor er miljoenen combinaties mogelijk zijn en dus dito klankmogelijkheden. Daar kun je nog al dan niet 2nd of 3d percussion aan toevoegen, vibrato of chorus toevoegen enzovoorts.

Wel en geen foldback

In de alinea over de verschillende modellen Hammondorgels lees je dat de console-orgels wel foldback hebben en de spinetorgels niet. Dit is in muzikaal opzicht een belangrijk verschil. Maar wat is foldback? Dat zit als volgt. Hoe hoger de toon, hoe fijner het sinusvormige kartelrandje van het toonwiel moet zijn. Daar zitten natuurlijk grenzen aan. De hoogst haalbare toon is de hoge fis met een 1-voet drawbar. Wat te doen met de toetsen die daarboven zitten?Hiervoor bedacht Laurens Hammond een oplossing: foldback (’terugvouwen’). Vanaf g die na die hoge fis komt, pakt het orgel gewoon weer de 1-voet van een octaaf lager en zo weer verder. Zou houd je toch nog een hoge klank in de hoogste deel van je manuaal. Bij een console-orgel blijf je boven de hoge fis gewoon de 1-voet horen (maar dan ‘foldback’). Bij een spinetorgel houdt de 1-voet na die hoge fis gewoon op. Ook andere hoge voetmaten hebben ergens zo’n punt. Dit kun je als gemis ervaren op een spinetorgel, omdat je boven in het manuaal de echt hoge tonen mist. In ‘de diepte’ wordt overigens ook met foldback gewerkt, dus voor de lage tonen.

Belangrijke Hammondorganisten

Welke organisten hebben een grote invloed gehad op de organisten die na hen kwamen? We noemen de belangrijkste.

De grote doorbraak van jazz op Hammond is te danken aan Jimmy Smith (1928-2005), die wordt gezien als ’s werelds meest invloedrijke (jazz)organist. Hij kwam op in de jaren zestig en zijn typische speelstijl sloot aan bij de jazzmuziek van dat moment, zoals de bebop. Typerend aan Jimmy Smith is dat hij veel minder drawbars gebruikte dan de generaties voor hem. Meestal alleen de laagste drie en dan vaak gecombineerd met de 3d percussion. Als je op een keyboard de sound ‘jazzorgan’ kiest, hoor je een sound gebaseerd op de registratie van Jimmy Smith.

Jimmy McGriff (1936-2008) was een jazz- en bluesorganist die voor het eerst een Hammondorgel liet ‘praten’. Hij gebruikte het Hammondorgel als verlengstuk van de stem, liet het zingen en speelde met veel expressie.

Jazzorganiste Rhoda Scott (1938) gaat in het harmonisch kleuren weer een stapje verder dan de beide Jimmy’s.

Roy Phillips (1943) was organist en zanger van The Peddlers. Bekend om zijn bluesy spel, het nóg meer spelen met klankkleur en het leggen van een klanktapijtje met het onderklavier.

Billy Preston (1946-2006) speelde jazz, blues en pop. Als iemand kon ‘smeren’ met het Hammondorgel, dan was dat Billy. Onder meer bekend van de orgelpartij in Let it Be van The Beatles.

Booker T. Jones (1944) introduceerde met Booker T. & The MG’s begin jaren zestig het Hammondorgel in de soulmuziek en opende daarmee de weg naar de pop en rock.

Matthew Fisher (1946) was de organist van de formatie Procol Harum, die in 1967 een hit scoorde met A Whiter Shade of Pale. De wijze waarop Fisher hierin de Hammondpartij speelt, is daarna vaak gekopieerd, bijvoorbeeld door Crowded House.

Keith Emerson (1944) was de virtuoze toetsenist van Emerson, Lake & Palmer, die in de jaren zeventig furore maakte met progressieve symfonische rock. Het Hammondorgel heeft daarin een prominente plaats.

John Lord (1941) was de toetsenist van de rockformatie Deep Purple, die rockhistorie schreef met de hit Child in Time. Op een ander instrument dan Hammond had het intro lang niet zo mystiek geklonken en was het ons misschien wel minder bijgebleven.

De bekendste modellen

Hammond heeft veel modellen op de markt gebracht. Niet alleen toonwielorgels, maar op een gegeven moment ook ‘gewone’ elektronische orgels. We bespreken hier kort de toonwielorgels die je met name in bands ziet en één elektronische Hammond.

De Hammond B3 is het meest legendarische toonwielorgel. Gebouwd van 1954 tot 1974. Als er op de grote podia een Hammond staat, is het vrijwel altijd een B3. Zeer herkenbaar aan de vier gedraaide pootjes. En loodzwaar.

De A100 en de C3 zijn ‘van binnen’ nagenoeg hetzelfde als de B3. Daardoor zijn ze qua klankkarakter vergelijkbaar. Overigens klinken geen twee B3’s hetzelfde. Ieder exemplaar heeft zijn eigen karakter. De B3, C3 en A100 hebben dezelfde layout van klavieren en bedieningselementen. De A100 heeft een dichte kast met ingebouwde luidsprekers (maar wel een aansluiting voor een Lesliebox) en de C3 heeft het model van een kerkorgel (en is daar oorspronkelijk ook voor bedoeld).

De bovengenoemde B3, C3 en A100 zijn zogeheten console-orgels. Dit zijn grote orgels, waarvan de beide manualen ieder vijf octaven bestrijken. Er zijn ook kleinere toonwielorgels, de zogeheten spinet-modellen. Vooral bedoeld voor de huiskamer. De beide manualen op deze orgels bestrijken ieder 31/2 octaaf, maar overspannen door de trapsgewijze plaatsing samen vijf octaven (zie foto’s). Verder hebben spinetorgels geen foldback (zie alinea over foldback). Ook het klankkarakter is anders, maar ze hebben wel de levendigheid van een toonwielorgel.

Onderstaande spinetmodellen zie je nog wel eens in bands:

De M3 (gebouwd van 1955 tot 1964) wordt wel eens de mini-B3 genoemd. Dat komt door het klankkarakter, het model en doordat alles wat in een B3 zit zo ongeveer ook in een M3 zit. Zoals scannervibrato en percussion, maar geen foldback. Wel ietsje makkelijker te tillen dan een B3.

De M100 (gebouwd tussen 1961 en 1968) hoor je in A Whiter Shade of Pale van Procol Harum. Ziet er heel anders uit dan een B3, maar heeft wel scannervibrato.

De L100 (gebouwd tussen 1961 en 1964) is een model dat in de popmuziek veel gebruikt is. Als je een Hammond hoort in een jaren zestig of zeventig nummer, is het bijna altijd een L100. De grootste hits van de Nederlandse formatie Focus (Hocus Pocus, Sylvia etc.) zijn allemaal gespeeld op een L100. Van de L100 is er een portable variant: de Porta-B. Tweedehands is de L100 genoeg te krijgen tegen een doorgaans zacht prijsje.

De X5 is geen toonwielorgel, maar volgens sommigen toch ‘lekker’. Je ziet en hoort de X5 nogal eens in combinatie met een Leslie 760 (een transistor Lesliebox). Overigens heeft een X5 wel foldback. Toetsenist Nico Brandsen van Kane zweert bij de X5.

Reparatie van Hammonds

Hammond toonwielorgels zijn bijna niet stuk te krijgen. Of beter gezegd, ze zijn altijd wel te repareren. Het wemelt van de Hammondorgels die al meer dan vijftig jaar meegaan en iedere keer weer het podium op en af worden gesjouwd. Een deel van het onderhoud kun je zelf doen, zoals de twee vingerhoedjes speciale Hammondolie (nog gewoon verkrijgbaar!) die eens per jaar in de toongenerator moeten.  Ook is het niet al te moeilijk om via Google een Hammond-reparateur te vinden.

‘Kloonwielen’

Een Hammond toonwielorgel is groot en zwaar. En een B3 met Leslie 147 is ook nog eens een dure aanschaf. Geen wonder dat veel fabrikanten met lichtere en goedkopere oplossingen komen, waarin ze het geluid van een Hammond toonwielorgel gecombineerd met een Lesliebox zo goed mogelijk proberen na te bootsen. Er zijn ook software-matige varianten. Deze ‘kloonwielen’ worden steeds beter en komen steeds dichter bij het origineel. Het is overigens heel persoonlijk welk aspect van het Hammondgeluid jou aanspreekt en in hoeverre je dat terugvindt in een digitale variant. Het effect van een Lesliebox lijkt nog moeilijker na te maken dan het Hammondgeluid zelf. Bands waarin het Hammondgeluid een prominente rol speelt (zoals blues- en jazzbands) kiezen vaak voor een echte ’toonwiel’ met Lesliebox. Dat lijkt ook mooi op het podium. Zonder uitputtend te willen zijn, hierbij een overzichtje van de bekendste en meest recente digitale varianten. Toetsinstrumenten: Hammond-Suzuki New B3, Hammond-Suzuki XK-1, Hammond Suzuki XK-3c, Roland VK-8, Nord C2, KeyB organ. Modules: Hammond-Suzuki XM-2, Roland VK-8m. Software: Native Instruments B4 II, Linplug Organ 3, Genuine Soundware VB3. De Amerikaanse fabrikant Motion Sound bouwt boxen met mechanisch roterende speakers die een stuk draagbaarder zijn dan de grote, originele Leslieboxen. In datzelfde genre biedt Hammond-Suzuki de Leslie 3300.

Voor wie (nog) meer wil weten

Wil je meer weten over Hammondorgels? Je hoeft internet maar op te gaan en je kunt je hele leven vooruit met informatie over en opnames van Hammond. Verder heeft de Amerikaanse auteur Mark Vail een boek uitgebracht over dit fenomeen, getiteld ‘The Hammond Organ – Beauty in the B’. Wie zich wil verdiepen in het spelen op Hammond heeft veel aan het muziekboek (met cd) van Dave Limina, getiteld ‘Hammond Organ Complete’. Op de meeste muziekscholen wordt (helaas) niet specifiek les gegeven op Hammondorgel. Wel zijn er particuliere muziekdocenten die gespecialiseerd zijn in Hammondorgel, waaronder Pascal Lanslots. Veel kennis zit ook bij de Hammond Toonwielorgelvereniging Nederland (www.hammondclub.nl), die meer dan 300 leden telt, vier ledendagen per jaar organiseert en een informatief verenigingsblad heeft.

Interview Hammond-organist Pascal Lanslots

Van de gedegen Algemene Muzikale Vorming aan de muziekschool heeft Hammondorganist Pascal Lanslots nog steeds profijt. Vanaf zijn zesde speelt hij elektronisch orgel. Daarna groeit hij door naar het Hammondorgel, het instrument dat zijn hart steelt en waar hij uiteindelijk cum laude op afstudeert. En de liefde duurt voort.

Interview Hammond-organist Pascal Lanslots

Hammond Education Center

De voormalige Karel I sigarenfabriek in Reusel (NL) is aan de sloophamer ontsnapt dankzij een zoon die zijn vader beloofde zijn levenswerk te zullen afmaken: het kolossale complex uit 1928 omtoveren tot een culturele broedplaats. De verf is nog nat. Toch hebben de eerste artistieke vogels er hun creatieve eieren al gelegd. In één van de ruimten nestelt MusiFix, een bedrijf dat elektronische muziekinstrumenten en geluidsinstallaties repareert, restaureert en onderhoudt. In de belendende ruimte bevindt zich het Hammond Education Center van Pascal Lanslots. Het is even zoeken, maar gelukkig kent een behulpzame schilder de weg naar Pascal’s splinternieuwe workshopruimte op zijn duimpje. De deur is niet op slot, dus naar binnen maar. Hoewel er nog volop aan de ruimte wordt gesleuteld, staat er al van alles in. Natuurlijk Hammondorgels, zowel toonwiel als digitaal. Jawel hoor, een ‘goede oude’ B3 uit 1958, een M3 en een M100. En daar, de B3 Classic en Ultimo van de New Generation en het Pro-XK systeem, ideaal voor repetitie en podium, en natuurlijk een aantal Leslie-speakers en Tone-Cabinets. Verder slagwerk, instrumentversterkers, een compacte PA-set en opname-apparatuur.

Presets are for the weak

De deur zwaait open. Pascal komt binnen in een olijfgroen T-shirt met een Hammondorgel erop. Daaronder de uitdagende tekst: ‘Presets are for the weak’, het statement van een onvervalste prof. “Sjaak van Oosterhout van MusiFix en ik kennen elkaar al heel lang”, steekt Pascal van wal. “Je komt elkaar tegen op een beurs in Frankfurt en er ontstaat een vriendschap. Ik geef les en treed op en hij repareert instrumenten. Een aantal maanden geleden kwam ik hier voor de reparatie van een oud Hammondorgel. Die zijn namelijk storingsgevoelig en hebben onderhoud nodig. Het was hier nog helemaal leeg. Omdat uitbreiding in mijn studio niet tot de mogelijkheden behoort, zag ik wel iets in Sjaak’s voorstel hier ook een ruimte in gebruik te nemen.” Pascal en Sjaak maken hier nu allebei gebruik van. “Als Sjaak mensen heeft die een orgel zoeken, kunnen ze hier de verschillende orgels met elkaar vergelijken. Ik geef hier les, doe aan bandcoaching en verzorg workshops Hammondorgel. Hiernaast komt een studio waar we zang gaan opnemen. Deze ruimte wordt dan tevens een ‘inspiratieruimte’, waar we extra live-dingetjes kunnen gaan doen.”

Muzikaal nest

De website van Pascal ligt om onduidelijke redenen plat, waardoor de informatievergaring langs wereldwijde webwegen minimaal is geweest. Als je dan oog in oog staat met één van de beste Hammondspelers van Nederland is het wel even slikken. “Waarschijnlijk hackers”, breekt de organist het ijs en wappert met een paar A-4’tjes waarop al zijn activiteiten staan vermeld. Zoals het merendeel van zijn collega-musici blijkt Pascal veel meer te doen dan alleen orgelspelen. Optreden, lesgeven, bandcoaching, side-man en endorsement voor Hammond-Suzuki, een van Wikipedia geplukte verhandeling over de kwaliteitscirkel van Deming… Whatever that is… Gespreksstof te over. “Lastig dat de website niet operationeel is”, onderbreekt Pascal het scannend journalistenbrein. “Ik heb al verschillende mensen aan de telefoon gehad die informeerden naar lessen. Niet erg, wel heel tijdsintensief. Het is veel makkelijker als die mensen gewoon op de website mijn portfolio bekijken en een blik op de agenda kunnen werpen. Maar goed, er wordt aan gewerkt.” Pascal Lanslots (1966) komt uit een muzikaal nest in de ‘enclave’ Baarle-Nassau. Vader was zanger-gitarist, zijn twee jaar oudere broer drumde. “Omdat Baarle-Nassau half Belgisch is, konden wij praktisch gratis muziekonderwijs volgen in Baarle-Hertog”, vertelt Pascal. “Het muziekonderwijs is daar veel grondiger dan in Nederland. Eerst twee jaar verplicht Algemene Muzikale Vorming, het derde jaar blokfluit en daarna door met een instrument naar keuze. Ik koos voor klarinet en saxofoon en leerde daarnaast toetsinstrumenten bespelen.”

Verveling

Twee jaar lang musiceert Pascal er vrolijk op los met zijn vader en broer. Om zijn techniek te verbeteren neemt hij orgelles op de Jan van Steen muziekschool in Breda. Het elektronisch orgel is op dat moment razend populair dankzij organisten als Klaus Wunderlich, Cor Steyn en Stef Meeder. Reden voor Yamaha om muziekscholen op te richten, een prima manier om het product orgel te promoten. Pascal is er als de kippen bij en wint verschillende regionale en nationale wedstrijden. Dan loopt hij tegen Jan Laenen aan, die hij als ‘een zeer goede organist’ omschrijft. “Elke zaterdag ging ik naar Jan’s muziekwinkel, waar ik klusjes deed in ruil voor een gratis privé-les na sluitingstijd. Op een gegeven ogenblik zegt Laenen tegen me: Pascal, als je dit doet, moet je het goed doen. Dan moet je andere dingen durven loslaten. Dus heb ik de klarinet, de saxofoon en alle bandjes waar ik toen in speelde aan de kant gezet en ben me gaan voorbereiden op het toelatingsexamen van het Brabants Conservatorium.” Pascal pakt het grondig aan. Hij leert alle boeken op de lijst volledig, van klassieke Bach fuga’s tot en met twee dikke boeken met pianostukken van Oscar Peterson. “Tijdens de toelating bleek dat je uit al die boeken maar één stuk hoefde te leren”, glundert Pascal, die (uiteraard) tot de opleiding wordt toegelaten. Door zijn voorsprong op de andere leerlingen slaat al snel de verveling toe. Pascal gaat weer in bandjes spelen. “Ja, als muzikant moet je musiceren, dacht ik. Ik speelde toen in Incapable Jakes, dat de grote prijs van België in de wacht wist te slepen.” In het tweede jaar prijkt er ineens een mager zesje op Pascal’s cijferlijst en krijgt hij te horen dat het niet goed gaat. “Ik snapte er niets van. Wat blijkt? Ze wilden me alleen maar duidelijk maken dat ik het spelen in bandjes moest loslaten en me moest concentreren op mijn studie. Uiteindelijk ben ik cum laude afgestudeerd, met het Hammondorgel als hoofdinstrument, klassiek piano als bij-instrument en een aantal applicaties, waaronder keyboard, improvisatie en theatermuziek.”

Absoluut gehoor

Vrij direct na het conservatorium maakt Pascal een omgekeerde ‘stage-dive’. Dat wil zeggen: hij duikt vanaf school zo de bühne op. Een tijdlang schuimt hij met de beroepsband No Limit de discotheken en bedrijfsfeesten af. Later treedt hij toe tot Out of Town, een professionele artiestenbegeleidingsband, waarmee hij drie à vier keer per week de hort op gaat. “Er kwam veel geld binnen, maar op een gegeven moment kon ik er even niet meer tegen. Dat heeft er ook mee te maken dat ik een absoluut gehoor heb. Kijk, zo’n mechanisch Hammondorgel is natuurlijk aangesloten op een generator. Is die niet stabiel, dan is het orgel te laag gestemd. Ik kan wel getransponeerd spelen, maar een rare gewaarwording is dat wel. Ik hoor ook alles. Stel, er komt een vliegtuig over. Het geluid daarvan (met name de toonhoogte) leidt me af.” Een absoluut gehoor heeft ook voordelen, aldus Pascal. “Stel, ik moet ergens invallen en sta in de file. Dan luister ik naar de nummers en bedenk ter plekke de lead-sheet die ik snel op een kladje zet. Tegen de tijd dat ik er ben, ken ik mijn partij.”

Interview Hammond-organist Pascal Lanslots

Charme Hammondorgel

Pascal omschrijft het Hammondorgel als een ‘vriend’. “Het is een instrument waar je in je eentje de bühne mee op kunt, maar ook een instrument dat fungeert als muzikale ‘kleurgever’ in bandjes en orkesten van elk denkbaar genre, van klassieke muziek tot en met pop, rock, jazz en gospel. Het geluid gaat van heel subtiel en lief tot en met rauw scheurend en opwindend.” Musiceren op het Hammondorgel is voor Pascal het mooiste dat er is. “Vooral op grote festivals is het puur kicken, omdat je door het spelen van mooie lijnen en vette akkoorden de mensen in de zaal helemaal uit hun dak kunt laten gaan. Zou ik geen vrouw en twee lieve kindertjes hebben dan zat ik er van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat achter. Wil je de binnenkant van een B3 eens zien?” Grappig, een keyboardspeler zou zoiets nooit zeggen. De benaming ‘vriend’ heeft dus blijkbaar ook betrekking op het ‘warm kloppend hart’ van dit bijzondere muziekinstrument? Pascal bevestigt dit. “Elke Hammond is een persoonlijkheid. Het geluid wordt namelijk letterlijk ‘opgewekt’. Dat is iets organisch. Daarom klinkt elke Hammond weer anders. Het is ook heel moeilijk om een instrument te vinden dat bij je past. Deze B3 uit 1958 heb ik uit Duitsland gehaald. Ik raakte hem aan, speelde een paar noten en was verkocht.” Pascal speelt zowel op vintage Hammonds als op de New Generation digitale Hammondorgels. Ook heeft hij een endorsement bij Hammond Suzuki Europe en werkt op die manier actief mee aan de ontwikkeling en verbetering van de nieuwe generatie Hammonds, waar hij zelf laaiend enthousiast over is. “Ze zijn lekker compact, dus je neemt ze zo onder je arm mee. Daarnaast zijn ze betrouwbaar en hebben een dijk van een sound.”

De nullijn

In 1996 krijgt Pascal de kans om Hammondorgel te komen spelen bij Magic Frankie, die ook wel de ‘Gangster of the Blues’ wordt genoemd. Frankie is al jaren ’top of the bill’ in de Nederlandse bluesscene en het binnen- en buitenlandse festivalcircuit, waaronder het Internationale Jazzfestival van Praag, het Bluesfestival in Leverkusen (D), het North Sea Jazz Festival en het Rijnmond Jazz Gala. Voor Pascal wordt het allemaal nog een stuk uitdagender als Magic Frankie de support-act wordt van grootmeester B.B. King. Tijdens de Europese tournee die volgt, doet hij de ene na de andere ontdekking. “Musici op dat niveau gaan altijd voor het hoogst mogelijke niveau. Dat romantische beeld van ‘de hele dag zitten zuipen’ klopt van geen kant. Het is gewoon een bedrijf, waarin van ieder afzonderlijk individu een optimale prestatie wordt verwacht. Een goed musicus zijn is niet voldoende. Het is de nullijn, het basisgegeven. Men gaat er gewoon van uit dat je je instrument goed beheerst. De wisselwerking tussen de musici maakt de band vervolgens tot een perfect werkend organisme.” Maar daarmee ben je er nog niet, stelt Pascal. “Bij elkaar komen voor publiciteitsfoto’s, serieus soundchecken, een goed optreden neerzetten en je onderwerpen aan de evaluatie achteraf. Waar liep het niet zo lekker? Wat kan er beter? Het hoort er allemaal bij. Die mentaliteit ligt mij, als perfectionist, wel. Als ik met mensen uit de professionele wereld werk, ga ik er ook vanuit dat ze de dingen voor elkaar hebben.” Pascal illustreert: “We zouden een keer een show gaan doen met Andy Tielman van de Tielman Brothers. Blijkt de gitarist bij de generale repetitie zijn ding nog niet voor elkaar te hebben. Sorry jongens, dit gaat niet werken, zeg ik dan. Het is ook wel eens gebeurd dat een gitarist niet kwam opdagen voor een optreden, omdat hij mot had gehad met de orkestleider. Een invaller had hij ook niet gestuurd. Dat kan niet, vind ik.”

De X-Factor

Tijdens de tournee met BB King stuit Pascal op nog een ander fenomeen, iets wat onderdeel uitmaakt van de mysterieuze X-Factor. Toch wil hij wel een poging wagen het in woorden te omschrijven. “Ik heb ontdekt dat die jongens tijdens de show in een aantal stukken het tempo ietsje versnellen en zo naar een climax toewerken. Dat doen ze heel bewust. Wat ze ook bewust doen, is een aantal stukken achter elkaar in dezelfde toonsoort spelen. Ik weet intussen ook waarom. Door dat te doen kun je mensen in een bepaalde ‘mood’ brengen.”” Pascal heeft ondervonden dat het werkt: “Als de avond wat minder is en je past deze formule toe, ontstaat er toch vanzelf iets. Let wel, het is niet zo dat je valse emoties wilt krijgen, want dan ben je aan het ’truceren’. Je moet het wel goed doen. Mensen die nu denken: Oh, werkt het zo? Dan gaan we nu vier nummers achter elkaar in D spelen, slaan ze de plank mis. Het is geen imiteerbare succesformule.”

Fireproof

Ondanks zijn grote liefde voor het Hammondorgel houdt Pascal zich niet alleen met orgelspelen bezig. “Als je dingen doet waar je goed in bent en die je leuk vindt, heb je de neiging daar breed mee bezig te zijn. Daarom geef ik ook orgelles, workshops Hammondorgel en ben ik actief als sideman en bandcoach. Mijn hobby is oldtimers, iets totaal anders. Lekker zandstralen met mijn vrienden en zo.” Het allerliefst zou Pascal alleen maar ‘spelen’. Daar schuilt volgens hem een gevaar in. “Als je te vaak ‘nee’ zegt tegen nevenactiviteiten die ook inkomsten genereren, verschrompelt je netwerk. Aan de andere kant heb ik ook geleerd dat als er deuren dichtgaan er ook weer deuren opengaan. En toch, toen ik na No Limit een hele poos niet commercieel had gespeeld, was ik maar wat blij dat ik de kans kreeg om Out of Town te komen versterken. Ik ken een basgitarist die een grote theatershow had gedaan en daarna in een groot, zwart gat was gevallen. Omdat hij er al die tijd niets anders ‘bij’ had gedaan waren ze hem gewoon vergeten.”

Brandbestendig

Volgens Pascal moet je altijd de grote lijnen in het oog blijven houden. “Want al speel je nog zo goed, als je niet plant kom je er ook niet. Ik ben momenteel bezig een nieuw project op poten te zetten. Iets van mezelf, waar ik lekker lang mee door kan gaan. Fireproof gaat het heten. Het wordt een combo dat zelfgeschreven en bekende nummers gaat spelen, met de Hammond als smaakmaker.” De naam Fireproof komt van een film die over een relatie gaat. “Een huwelijk moet brandbestendig zijn. Je brandt wel eens je vingers, maar je gaat niet zomaar weg. Je moet er continu in investeren. Het is een soort school. Als je twee oude mensen hand in hand ziet lopen kun je zeggen: die hebben de universiteit. Een mooi gegeven. Fireproof slaat ook op het Hammondorgel zelf, dat allesbehalve vuurbestendig is. Als je een Amerikaans orgel (110 Volt systeem) voor langere tijd aansluit op 220 Volt, kan het wel eens gaan smeulen.” Dat laatste gebeurde tijdens een concert van de Rolling Stones in De Kuip, ergens in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Ze hadden toen twee B3’s bij zich die er allebei de brui aan gaven. “Het project Fireproof staat nog in de kinderschoenen, maar mij staan R&B-lijnen voor ogen, een vette en ruige sound en mooie akkoorden met onverwachte changes die naar hiphop neigen. Misschien wordt het wel zoiets als een combo met wisselende vocalisten, net zoals Santana dat doet.”


Optreden & sideman zijn

Optredens zijn goed voor 30 procent van Pasal’s inkomsten. Bandcoaching en sideman elk voor 15 procent. “Mijn meerwaarde is dat ik breed inzetbaar ben: repetoirekennis, goede lezer, sounds voor elkaar, improvisatie en backing vocals. Ik speel piano, Rhodes, synths, accordeon en natuurlijk Hammondorgel. Ik werp me ook graag op als de sideman van een band. De sideman is de vertrouwenspersoon, het aanspreekpunt en ook en soort concertmeester. Bij artiesten spelen toch vaak de zenuwen mee. De sideman anticipeert daar op. Als een artiest niet vanuit de kleedkamer met zijn witte pak door de regen naar de tent wil, regel je dat het anders gaat, zodat die artiest een goed optreden neerzet. Ik zorg ook dat de arrangementen klaarliggen en dat er cd’s gemaakt worden voor de muzikanten die erbij komen.”

Lesgeven

Lesgeven is goed voor 40 procent van Pascal’s inkomsten. “Sinds 2000 geef ik inspirerende lessen op het Hammondorgel. De lessen zijn voor beginners en gevorderden, waarbij het speelplezier voorop staat. Omdat het Hammondorgel zoveel muziekstijlen aan kan, zijn ook mijn lessen niet aan één genre gebonden. Ik geef les in populaire muziek, jazz, rock, theatermuziek, evergreens enzovoorts. Zo’n zestig organisten uit alle genres en windstreken van Nederland komen met enige regelmaat op les.” Vanwege de vele aanvragen en omdat regelmatig dezelfde onderwerpen tijdens de lessen worden behandeld, geeft Pacal ook workshops met diverse thema’s, speelstijlen en technieken. “Het is erg inspirerend en leuk om met andere organisten ervaringen uit te wissele en door vakkundige uitleg de mogelijkheden van het schitterende instrument beter te leren kennen en te gebruiken. Net als bij de privé-lessen worden workshops opgenomen op cd en men krijgt het lesmateriaal mee naar huis. Ook nodig ik zo af en toe een special guest uit.”

Bandcoaching

Wat Pascal merkt bij veel bands is dat ze wel een bepaald doel hebben, maar niet de middelen om dat doel te bereiken. “Wat wil je nu eigenlijk? Het willen loopt niet altijd in de pas met het kunnen. Als bands de creativiteit en de ambitie hebben om door te gaan, lopen ze vaak tegen grenzen aan waar ze niet mee om kunnen gaan. Net als in het bedrijfsleven heb je voortrekkers en meelopers.” Als bandcoach hanteert Pascal graag de kwaliteitscirkel van Deming. “Dat is een creatief hulpmiddel voor kwaliteitsmanagement. De cirkel beschrijft vier activiteiten die op alle verbeteringen in organisaties van toepassing zijn. Het cyclische karakter ervan garandeert dat de kwaliteitsverbetering continu onder de aandacht is.” De vier activiteiten zijn:

  • Plan: Kijk naar de huidige werkzaamheden en stel een plan voor de verbetering van deze werkzaamheden op. Stel voor deze verbetering doelstellingen vast.
  • Do: Voer de geplande verbetering uit in een gecontroleerde proefopstelling.
  • Check: Meet het resultaat van de verbetering en vergelijk dat met de oorspronkelijke situatie en toets deze aan de vastgestelde doelstellingen.
  • Act: Actualisatie van de planning. Stel (eventueel)(delen) van het oorspronkelijke plan bij aan de hand van de gevonden resultaten bij CHECK.

Circle: Herhaal voortdurend de vier stappen plan-do-check-act. “De kern van deze visie is dat ieder afzonderlijk bandlid op deze manier in staat is om zijn eigen werkwijze te beoordelen en te verbeteren. Je voorkomt er ook mee dat de kwaliteit blijft ‘hangen’ in de plan- en do-fase. Door dit systeem te hanteren kom je er ook heel snel achter waar de ambities liggen. Voor sommigen is het gewoon een hobby, anderen hebben meer ambitie. Daar kun je als bandcoach een rol in spelen. De mogelijkheid bestaat dat naar boven komt dat de doelen van bepaalde bandleden niet verenigbaar zijn met die van andere bandleden. Dit kan tot gevolg hebben dat een band uit elkaar valt, maar liever in het begin dan in een later stadium. Maar als het doel is lekker voor de lol samenspelen zonder pretenties of podiumwensen, is het ook een fantastisch voorrecht een band muzikaal vooruit te helpen.”

Zie ook

» Digitale Hammond-orgels
» Alle digitale orgels
» Orgel-plugins (software)

» Jazz – Geschiedenis en kenmerken van een rijke muziekstijl
» Vintage toetsinstrumenten: nooit weggeweest
» De accordeon: populairder dan je denkt
» Hoe maakt een piano geluid?
» Akoestische piano of digitale piano – Wat moet ik kiezen?
» Wat zijn virtueel-analoge en hybride synthesizers?
» De drie piano-pedalen, waar dienen deze voor?
» De analoge synthesizer revival
» Wat is aanslaggevoeligheid?
» Piano-akkoorden spelen? Dit is de basis!
» Wat is het verschil tussen een keyboard en een synthesizer?
» Help! Mijn MIDI keyboard maakt geen geluid!
» Wat is het verschil tussen een keyboard en een digitale piano?

2 reacties
  1. Marc De Pourcq schreef:

    Beste
    Wij hebben op school (Buitengewoon secundair onderwijs voor leerlingen met een visuele of auditieve beperking en leerlingen met autismespectrumstoornis) een Hammond met Leslie staan. Door reorganisatie van de lokalen en het op pensioen gaan van onze muziekleraar hebben we geen plaats noch kennis om dat prachtige instrument verder te gebruiken.
    Er moet waarschijnlijk wat aan gesleuteld worden want er is een gebrom hoorbaar bij de combinatie van het orgel met de lesliebox. Ik vermoed dat iemand met elektronische expertise daar wel een oplossing voor kan vinden.
    Zijn jullie geïnteresseerd om eens langs te komen en te zien of het instrument verkoopbaar is en om ons te helpen er een eerlijke prijs voor te krijgen?
    Of kent u iemand uit Brugge en omstreken die ons kan helpen?
    dank u wel
    Marc De Pourcq 0477881200
    vzw De Kade – secundaire school Spermalie
    Oliebaan 2
    8000 Brugge

Laat een reactie achter